Boudewijn de Groot

Een Legende

auteur: Ischa Meijer
geplaatst in: Vrij Nederland, 18 augustus 1984 (Jaargang 45)

De zanger: 'Ik begin er een beetje genoeg van te krijgen. Ik vind het eigenlijk zonde om nog langer professioneel muzikant te blijven.
Ik wil niet meer voortdurend onder druk staan. Ik ervaar die hele situatie waarin ik de afgelopen jaren bezig ben geweest, nu als uiterst drukkend. Ik weet niet hoe het zo ver heeft kunnen komen. Ik ben daar nog niet uit. Ik probeer dat allemaal op een rijtje te zetten.

Ik heb nooit ergens doelbewust naartoe gewerkt. Het waren altijd reacties op toevallige omstandigheden. Op een gegeven moment was
het zo dat ik de kans kreeg om van die muziek mijn beroep te maken. Het was niet iets waarover ik ooit bewust had nagedacht,
laat staan dat ik het erop aangestuurd heb. Misschien zou ik het wel gewild hebben als ik mijn gedachten erover had laten gaan. En het is maar doorgegaan. Ik ben eenvoudigweg van de ene toestand in de andere gerold. De enige manier waarop ik dit alles in stand gehouden
heb, is dat ik nooit wat anders ben gaan doen. Sinds enige tijd bevind ik mij in een langzaam wurgende houdgreep, die op zich zelf niets met rnijn muziek te maken heeft. Dat is ook zo vervelend. Ik maak erg graag muziek, en dan nog niet eens zozeer in eerste instantie als uitvoerder. Het is allemaal zeer jammer.

Het lijkt wel op de wijze waarop ik indertijd op de Filmacademie stukgelopen ben. Ik wilde zo sterk mogelijk bij dat filmen betrokken raken. Op een zeker ogenblik begon ik mij te spiegelen aan grote voorbeelden. Dat ging ook steeds benauwender werken. Ik raakte in paniek. Dat probleem loste zich van zelf op doordat ik in die muziekwereld verzeilde. Ik wilde niet opnieuw in zo'n dilemma verstrikt raken. Ik kon toentertijd geen filmpje meer maken, omdat ik te hoge normen ging aanleggen. Godard, Bergman. Ik was niet eens meer in staat om voor me zelf uit te maken of ik die veelgeroemde cineasten werkelijk wel zo goed vond. Ze werden nu eenmaal als zodanig gepresenteerd, en ik richtte me onvoorwaardelijk naar die waardering. Dat heb ik nu ook. Het gaat dan wel om iets heel anders,
maar het is precies zo'n gevoel. Ik wil me niet opgejaagd voelen terwijl ik bezig ben met iets waarvan ik houd. Dan doe ik het liever als vrijetijdsbesteding. Ik probeer nu uit te vinden hoe ik op een andere manier mijn brood zou kunnen verdienen.

De wereld waarin ik ten slotte beland ben, is niets meer dan een soort loterij. Het komt uiteindelijk volledig neer op de hitparade. Dat is het grote boze oog dat daarboven hangt. Daarop is alles gericht. Ik heb er nooit mee te maken willen hebben, maar de laatste tijd blijk ik
er tegen wil en dank - misschien zelfs wel tegen beter weten in - afhankelijk van te zijn. Vroeger maakte ik mijn nummers, en het werden hits, of niet, maar ze behielden, hoe dan ook, een zekere populariteit. Waardoor alles in goede banen bleef lopen. Ik kon doen wat ik wilde, en zij persten die platen. Tegenwoordig staat datgene wat ik maak verder af van het grote publiek dat ik eens had, waardoor ik in een dwangpositie kom te verkeren ten opzichte van de commercie. Kan zijn dat ik me daar niks van hoef aan te trekken, maar het gebeurt toch, en dat kan ik niet uitstaan. Ik word er stapelgek van. Ik wil me er dolgraag van losmaken.
Tot nog toe laten ze me mijn gang gaan. Mijn depressie heeft dan ook niets te maken met mijn platenmaatschappij en dat hele gedoe eromheen. Hilversum 3, de televisiespecials. Totaal gericht op de hit van heden, verleden en toekomst.
Langzamerhand word ik alleen maar gezien als iemand die hits gescoord heeft. Die hitgevoeligheid is de grote voorwaarde geworden. Als ex-idool houd ik een zekere hitpotentie. Dat brengt me vreselijk in de war. Ik voel me onzeker. Ik moet zien daaruit te ontsnappen. Ik weet nog niet hoe. Maar ik wil wl doorgaan met muziek maken. Liedjes, filmmuziek, het geeft niet wat. Ik wil mijn lol in de muziek niet verliezen.

Ik kom uit Heemstede. Een VVDambtenarenmilieu, enigszins vergelijkbaar met de gegoede middenstand. Met alle voor- en nadelen van dien. Ik heb geen moeilijke jeugd gehad, was tamelijk comfortabel ingebed in een weinig schokkende leefsituatie. Er gebeurde nooit iets onverwachts, waardoor wij ineens alle zeilen moesten bijzetten, op wat voor manier dan ook. Het kabbelde maar door. Wat er wel voor gezorgd heeft dat ik tot op vrij hoge leeftijd geen notie had van een heleboel zaken. Want er was binnen ons gezin nooit sprake van enige confrontatie op geestelijk niveau. Er waren nooit discussies over filosofische of psychologische onenigheden. Er waren wel verschillen, maar die mondden niet uit in geschillen. Je accepteerde elkaar, maar om uitleg werd niet gevraagd.

In '64 kwamen mijn eerste hits. Het ging van een leien dakje. De voortzetting van die sfeer in mijn ouderlijk huis. Er waren misschien wel een hoop mensen die wat ik maakte verwierpen, maar met die mening hoefde ik niks te doen. Er bleven toch nog behoorlijk wat fans over, die het voor mij opnamen. Zodoende hoefde ik me zelf nooit te verdedigen of te exponeren. Wat was er gemakkelijker dan elke discussie over kwaliteit uit de weg te gaan? Het was immers niet noodzakelijk. Voorts hield ik me tamelijk afzijdig van alles. Ik had iets van: Zo gebeurt het, en zo zal het wel wezen. Alweer geen confrontaties. Ik vroeg me zelf ook nooit echt af of hetgeen ik fabriceerde al dan niet goed was. Dat had ik toch nooit geleerd. Ik vond het allemaal wel best. Ik schreef, leverde af, ging de studio in, trad op, en stond menig interview toe. Bleef over: het contact met de vakgenoten, mijn collegae. Dat heb ik nooit gehad. Ik schaamde me namelijk enigszins voor wat ik deed. Het was in die dagen toch: pop, beat, rock, Engelstalig. Mijn muziek was geen pop, beat of rock, en ik zong in het Nederlands. Mijn muziek was een heleboel niet. Tegelijkertijd vond ik de jongens en meisjes die hetzelfde genre beoefenden als ik, niet interessant genoeg om mee te verkeren. Tevens was ik ervan overtuigd dat de muzikanten die ik wl boeiend achtte, niets moesten hebben van mijn werk, dus niets van mij. Dat knaagde. Maar ik heb daar nooit iets aan gedaan. Behalve dan het vervaardigen van de elpee Picknick, die ik nu beschouw als een volstrekt emotieloze, verzonnen plaat. Dat was om te bewijzen dat mijn muziek wel degelijk tot de pop gerekend kon worden. En dat album was ook nog een succes. Door Hitweek aangekondigd als de eerste Nederpop-elpee. Maar het was een koud werkstuk, bedacht, niet op een natuurlijke wijze uit me voortgekomen. Het leverde ook niets op. Het veranderde niets aan mijn minderwaardigheidscomplex ten opzichte van die echte popmuzikanten. Het was wel even aardig, maar ik schoot er verder niets mee op, niemand anders deed iets mee, het kwam nergens vandaan, en liep op niets uit. Er was geen moer gebeurd. Dat was de laatste plaat die ik met Lennaert Nijgh gemaakt heb.

Ik weet niet precies was Lennaert tegenwoordig doet. Hij schrijft af en toe wat. Teksten voor Rob de Nijs. Hij verkeert waarschijnlijk in de zelfde situatie als ik. Een sfeer van machteloosheid. Niet weten wat je daaraan moet doen. Een permanente druk, waaronder je niet uit kunt komen. Er heeft absoluut geen vriendschap tussen ons bestaan. Hoewel hij zeker teleurgesteld zal zijn wanneer ik dit zeg. Maar ik zal hem blijven opzoeken. Ook al stuurt hij mij brieven waarin hij schrijft bepaalde gezamenlijke fietstochten uit onze schooltijd van weleer te hebben nagereden. Aan dat soort nostalgische bevliegingen heb ik geen enkele boodschap.

Ik heb nooit een toekomst uitgestippeld. Ik bezit dan wel een bepaalde drang tot het maken van muziek, maar verder word ik beheerst door een gigantische laksheid, bij voorbeeld in het vergaren van technische kennis omtrent die zelfde muziek waarvan ik zeg zoveel te houden. Ik verkeer nu in een staat van hevige beklemming en depressie. Ik heb altijd maar domweg geaccepteerd wat er zoal met me gebeurde. Er is nooit sprake geweest van een systeem, een plan.
Die opvoeding heeft me genekt. Het ontbreekt mij aan enige moed om verantwoordelijkheid te nemen. Wat toch in tegenspraak is met de positie die ik nu heb. Ik moet voor alles de verantwoordelijkheid nemen: teksten, muziek, produktie.
Het is trouwens nooit gedeelde verantwoordelijkheid geweest. Ik heb nooit in teamverband gewerkt. Dat heeft me van tijd tot tijd ook opgebroken. Maar nu heb ik er wel ontzettend veel last van. Vandaar die neerslachtigheid.

Ik heb op een gegeven moment de permanente samenwerking met Lennaert verbroken, omdat ik iets totaal vanuit me zelf wilde maken. Daartoe bleek ik op dat ogenblik voldoende zelfvertrouwen in huis te hebben. Het is die voortdurende innerlijke tegenstrijdigheid. Enerzijds geen verantwoordelijkheid durven of kunnen nemen, en aan de andere kant altijd alles zelf moeten doen.
Ik wilde dat oude successtramien niet meer. Ik moest en zou op een andere toer overschakelen. Ik keerde me af van wat ik tot dusver had gedaan, maar wist absoluut niet wat ik dan wl wou. Het resultaat: bevrijding, en leegte. Een vacum, waarmee ik me volstrekt geen raad wist.

Anders dus. Engelstalige pop, dus. Ik wilde bij de serieuze jongens horen. Maar in die poging om dat te bewerkstelligen werd ik honderdmaal ongelukkiger dan ik me ooit in de tijd daarvr had gevoeld. Het was niks. En ik had geen flauw benul hoe ik het zo zou kunnen ombuigen, dat het wel iets vermocht te worden.

Vervolgens ben ik weer teruggekeerd naar mijn oude stijl. En dat ging goed. Tot het opnieuw in elkaar zakte. Na een tijdje kwam het weer op. En ging neer. Op. Neer. Op. Neer. Op. Neer.

Die platenmaatschappijen teren in eerste instantie nog steeds op een soort geloof in de legende, de traditie die ik representeer. Dat is beangstigend voor me. Ik dacht toch altijd me te bewegen buiten die Hilversum 3-sfeer. Maar dat blijkt nu geenszins het geval te zijn. Iets wat automatisch leek te horen bij wat ik nu eenmnaal deed, blijkt ineens gezien te worden als een dwingende voorwaarde. Die ontdekking betekende een schok. De eerste onverwachte schok die ik ooit in mijn hele leven gehad heb.
Die conditie accepteer ik niet. En de enige manier om daarvan af te komen, is die muziek niet meer als bron van materile inkomsten te gaan beoefenen.

Wat ik maak, is naar mijn idee heel persoonlijk, en daarmee in zekere zin uniek; zonder dat ik daaraan per se een kwaliteitsoordeel wil hechten.

Ik leef voor mijn muziek. Maar eigenlijk ben ik nooit een wezenlijke confrontatie ermee aangegaan. De paar keer dat ik een poging in die richting gewaagd heb, heb ik deerlijk gefaald. Dan sloeg ik weer eens een nieuwe richting in, wist vervolgens niet hoe dat nu verder moest, en hield ten slotte aan zo'n avontuur een nog onbevredigder gevoel over dan ik al had. Dan pakte ik de oude draad maar weer op. Of ik veel van die momenten geleerd heb waag ik sterk te betwijfelen.

Nu weet ik eindelijk wat ik moet doen. Ik wil voortaan alleen nog maar muziek maken omdat ik het leuk vind. Ik weet echt niet wat voor muzikale richting ik nu ga inslaan. Ik ben toch geen Peter Schat, die kan zeggen: Ik componeer. Zover ga ik niet. Ik wil gewoon mijn vrije tijd besteden aan muziek.
Ik weet nog niet waarmee ik mijn brood ga verdienen. Geen flauw idee. Misschien wel een kantoorbaantje. Wie weet. Wat dat betreft val ik in een groot, zwart gat. Ik heb geen geld meer.

Ik wil niet moeten teren op de status van ex-idool. Maar ik kijk ook weer niet neer op die legendevorming. Ik geloof zeker wel een zekere waarde gehad te hebben voor de Nederlandse lichte muzlek, en die heb ik in zekere zin ng. Maar ik wil die positie niet bestendigen in een atmosfeer die mij niet ligt.

Ik zwerf nu al een jaar zo'n beetje rond. Ik krijg nu wel behoefte aan een plaats die van mij is. Vervelend. Wat ook bijdraagt tot dat gevoel van depressie en onzekerheid. Ik ben bang voor elke nieuwe dag.
Die legende heeft geen enkele relatie meer met degene die ik nu ben. Maar ik wil er niet mee breken.
Die Hilversum 3-sfeer. Nitwits. En dan heb ik het niet over de mensen die mijn platen kopen, maar over al die insiders uit dat muziekwereldje, met hun gebrek aan inzicht. Ze voelen geen verantwoordelijkheld jegens degenen die ze moeten bedienen: niet de muziekmakers, maar de luisteraars. Ze zijn zich totaal niet bewust van hun positie. Ze hebben geen besef van wat ze het publiek verplicht zijn te geven, voor te schotelen, aan te bieden. Ze toveren het volk voornamelijk hit-parades voor, en gaan ervan uit dat dat het enige is. Terwijl ze alles wat ze aan lichte muziek horen met elkaar in verband zouden moeten brengen. Maar dat kunnen ze niet. Waarbij niet vergeten mag worden: de hit-parade is een discriminerende factor, die steeds belangrijker, sterker, machtiger wordt.
Ik kan maken wat ik wil, maar ik word voortdurend geconfronteerd met een gebrek aan inzicht. De dj's, en al de anderen die dat wereldje bepalen. Ze hebben geen idee van de functies die ze innemen.

Ik voel me niet geflopt. Nee. Uiteraard, naarmate je minder succes bij je publiek hebt, word je afhankelijker van die lichte-muziekmachinerie. Natuurlijk. Dat is een duidelijk symptoom.
Ik heb veel minder succes dan een aantal jaren geleden. Nee, op zich zelf is dat helemaal niet zo vreselijk. Kijk, iedereen zal het erover eens zijn dat, wanneer je iets publiekelijk doet, het leuker is als honderd mensen je leuk vinden in plaats van n. Vanzelfsprekend. Met behoud van kwaliteit. Nou, ik wil beoordeeld worden op mijn kwaliteit, en ik geloof niet dat dat tegenwoordig in Hilversum gebeurt. Geen waardeoordeel daar is gefundeerd. Nergens hoor of lees ik iets zinnigs over mijn werk.

Ik heb weinig nodig, maar ik ben als de dood dat ik me zelfs dat niet meer zal kunnen veroorloven. Daar moet ik nu wel iets aan gaan doen. Ik scharrel dat minimum graag op een andere manier bij elkaar, om in alle vrijheid aan mijn muziek te kunnen werken. Hans Dulfer is autohandelaar, en al die andere componisten vervullen bijbaantjes als leraar of instrumentalist.
Dat moet toch heerlijk zijn.

Ik ben momenteel erg verdrietig.'


Omhoog
Terug